Techniekobservatie voor het kogelslingeren

Door J. Mortier (aangepast door Frank van den Dool)

Opmerking

Alhoewel al de hieronder opgesomde observaties per  bewegingsonderdeel telkens kunnen teruggebracht worden tot een vijftal hoofdfouten blijft het toch interessant dit totaal overzicht te geven. Tevens moeten we ons bewust zijn dat de oorsprong van een fout in een of  ander bewegingsonderdeel dikwijls te vinden is in de daaraan voorafgaande fase. Met dit gegeven moeten we vertrouwd zijn om een juiste bewegingsanalyse te kunnen maken en zodoende gepast te kunnen remediŽren.

  A. De uitgangshouding

0l. Geenjuiste plaatsing van de voeten.

(De voetpunten dienen lichtjes naar buiten te wijzen).

(De r. voet mag lichtjes naar achteren verplaatst worden).

02.  De knieŽn drukken niet genoeg naar voor.

03.  Het bekken is onvoldoende gefixeerd.

04.  De romp te rechtop of te veel naar voor of achter (overcompensatie).

05.  Schouders te gespannen en naar achter getrokken.

06.  Slechte plaatsing in de werpcirkel t.o.v. de middellijn en werprichting.

07Lichaamsgewicht niet boven de hakken.

 

  B. Het aanzwaaien

0l. Foutieve aanzwaaibaan.

  1. de omloopbaan is niet horizontaal genoeg.
  2. niet of onvoldoende met links tegen indraaien.
  3. met rechts druk geven
  4. Lichaam blijft niet op recht op
  5. linkeras blijft tijdens het aanzwaaien naar voor gericht, i.p.v. naar r. uit te draaien om vroeger kontakt te hebben

02. Foutief ritme en snelheid.

  1. de aanzwaaien gebeuren te snel.
  2. de aanzwaaien gebeuren te traag.
  3. Er is geen versnelling bij de tweede aanzwaai waar te nemen.
  4. het tuig wordt versneld als het opwaarts loopt.

03. De radius is te klein.

  1. de schouders zijn te gespannen.
  2. er wordt op de armen getrokken.

04. Het hoofd blijft gefixeerd.

05. De omloopbaan is te hoekig.

  1. de handen worden te ver boven en achter het hoofd gebracht.
  2. de spanning op het tuig valt weg als het tuig zich op l. bevindt.
  3. het dieptepunt ligt te veel r. van de werper.
  4. het dieptepunt ligt te veel l. van de werper. (overcompensatie).
  5. de positie van de kogel is achter te hoog in plaats van achter het hoofd.

 

  C. Het ingaan gaan van de eerste rotatie.

 

0l. Er is geen verplaatsing van het lichaamsgewicht waar te nemen van r. op l. (versnelling van het tuig en grotere uitwijking naar l.).

02. De rotatie wordt ingegaan met de belasting op het r. been.

03. De l. voet opent te vroeg en voor de duwaktie van de r. voet.

04. De l. voet wordt te hoog opgelicht (gevolg l. been te gestrekt).

05. De l. voet draait verder dan 120į uit.

06. De r. voet is niet aktief (Er is geen schroefaktie te zien). door van rechter-as.

07. Het tweede deel van de rotatie (270į) wordt niet op de zijkant van de l. voet uitgevoerd (voet afwikkelen!)

08.  De l. hiel wordt na de l. voet plaatsing niet naar binnen doorgedraaid

09. De knieŽn blijven onvoldoende gebogen.

10. Er is een X-beenstand waar te nemen. (evenwichtstorend).

11. Het bekken blijft niet gefixeerd.

12. Het zwaartepunt van het lichaam bevindt zich te hoog of te ver achteruit. (De romp wordt niet lichtjes naar voor gebracht en het zwaartepunt wordt niet boven l. verschoven).

13. De bewegingsinzet gebeurt met de armen/schoudersi romp i.p.v. met de benen en bekken. -> recher-as (voet = rechter heup = schouder)

14. De gelijkbenige driehoek tussen de armen wordt niet gevormd.

15. Er wordt op de armen en op de schouders getrokken.

16. Er is een opwaartse versnelling waar te nemen.

17. Het tuig zit in een te vertikale baan (i.p.v. in een bijna horizontale baan).

18. Men laat het tuig onvoldoende ver naar l. uitlopen.

19. Men laat het tuig te ver,naar l. uitlopen. (overcompensatie).

20. Er is een slechte plaatsing van het hoofd waar te nemen.

21. Het hoofd wordt tussen de armen in getrokken.

22. De blik blijft niet op het tuig gericht.

23. Het hoofd en de schouders bevinden zich niet in hetzelfde vlak.

 

  D. De eenbenige steunfase en de receptie na de eerste rotatie.

0l. De r. voet komt te vroeg los van de grond.

02. Het r. been wordt te hoog opgetrokken.

03. Wegens onvoldoende knieval kan de l. voet geen 270į terugdraaien.

04. Wegens onvoldoende fixatie in Het bekken wordt a) de r. voet te ver doorgeplaatst.

  1. de r. voet te ver van de l. rotatieas af geplaatst.
  2. de r. voet komt te laat op de grond.
  3. de r. voet neemt niet stevig kontakt met de grond.
  4. de r. voet neemt geen contact met de bal van de voet.

05. De belasting bevindt zich op het r. been.

06. De knieŽn zitten tegen elkaar aan.

07. De r. voet wordt plat op de grond geplaatst i.p.v. op de bal van de voet.

08. Er is geen knieval of amortiefase waar te nemen.

09. De knieval wordt te laat ingezet, daardoor wordt het tuig onvoldoende hoog opgevangen.

10. Er is geen versnelling in dalende fase waar te nemen, zelfde reden als vorig punt.

1l. De r. voet wordt evenwijdig aan de werprichting geplaatst i.p.v. dwars aan de werprichting. (Daardoor kan het tuig vroger opgevangen worden).

12. De spanning op het tuig valt weg, het tuig valt uit zijn horizontale baan.

13. Na de eerste rotatie ligt het dieptepunt van de omloopbaan te veel r. van de atleet. (te steile eerste omloopbaan).

14. De radius verkleint door:

  1. de schouders zijn onvoldoende ontspannen.
  2. de gelijkbenige driŽhoek blijft niet behouden, door een contractie van de r. arm.

15. Er is een verwringing waar te nemen. (bekken- en schouderas met evenwijdig).

16. Te korte omloopbaan van de r. lichaamshelft.

17. Het bovenlichaam blijft niet passief en er is een verplaatsing of verwijdering van de rotatieas waar te nemen.

18. Het hoofd blijft niet naar het tuig gericht.

 

  E. Verbinding tussen de respectieve rotaties.

0l. Nota: Alle punten aangehaald onder paragraaf C. en D. blijven hier natuurlijk van toepassing.

02. De versnelling van het tuig wordt te lang aangehouden.

03. De versnelling gebeurt niet geleidelijk, geen vloeiend bewegingsritme.

04. Het l. blok gevormd door (Vtn, Knn, Bkn en Sch) blijft niet gefixeerd.

05. Het lichaamszwaartepunt blijft niet op dezelfde hoogte.

  1. daar de benen gestrekt worden.
  2. daar de romp opgelicht wordt, en het bekken niet gefixeerd is.

06. De omloopbaan blijft te horizontaal, daar de knieval onvoldoende is De ideale afworphoek zal niet bereikt worden.

 

  F. De afworp

0l. Het tuig wordt niet hoog genoeg opgevangen.

02. De belasting (lichaamsgewicht) bevindt zich op rechts in plaats van het midden.

03. De benen dienen gebogen te blijven tot vlak voorhet tuig het diepste punt van zijn omloopbaan heeft bereikt.

04. De benen worden niet uitgestrekt tijdens de afworp, dc versnelling gebeurt verkeerdelijk met het bovenlichaam.

05. De r. voet landt niet op de bal van de voet, zodat het bekken onvoldoende vlug naar voor kan gedrukt worden.

06. Het bekken blijft naar voor gericht i.p.v. naar l. uit te draaien.

07. Daar het r. been te laat de grond bereikt, wordt het tuig onvoldoende of te laat versneld.

08. De l. voet blijft niet plat op de grond of op de zij kant van de voet.

09. De l. voet wordt verplaatst tijdens de afworp.

10. De hak van de linker voet word onvoldoende onder ingedraaid.

11. De beide armen worden niet opwaarts gestrekt.

12. De rug wordt uitgehold tijdens de afworp i.p.v. hem mooi recht te houden.

13. De afworpbeweging wordt niet voleindigd.

14. De ideale afworphoek wordt niet bereikt.

  1. te hoog.
  2. te laag.

15. De afworp wordt uitgevoerd in een onevenwichtige houding.

16. Dieptepunt van het tuig zit te veel op links.

 

  G. Opmerkingen: